Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1.

IN HET VOORJAAR

De vrachtwagen hield stil voor de boerderij.

„Ho paard, hol"....

En toen droeg de vrachtrijder twee dingen naar binnen. Eerst een grote, platte mand. Die had de boer gekocht bij den mandenmaker.

En toen een mooie, nieuwe wieg. Die had de boerin gekocht bij den wiegenverkoper.

De grote mand werd in de schuur gezet. De boer legde er stro in. En ook hooi en oude lappen.

De mooie wieg werd in de kamer gezet. Daar legde de boerin een matrasje in. En dekentjes. En ook een kussentje.

Toen kwam de boerin kijken naar het werk van den boer.

„Dat is mooi," zei ze. En zij lachte.

En de boer kwam kijken naar het werk van de boerin. „Dat is nog véél mooier," zei hij blij. „Dat is het allermooiste uit ons hele huis!". .. .

En toen wachtten ze. Een week en nog een week. ... Een boer en een boerin, een lege mand en een lege wieg.

Het was in het voorjaar.

Toen, na een paar weken, toen lag er in de grote mand. . . . een hondje. Een klein, bruin hondje met dikke, lompe pootjes. Dat hadden de boer en de boerin gekocht.

En in de mooie wieg lag.... een kindje. Een lief, klein kindje met kleine, rode knuistjes en kleine trappelvoetjes. Met zeven haartjes op zijn rode bolletje.

Het was een jongetje.

Dat kindje hadden de boer en de boerin niet gekocht. Dat hadden ze samen van den Heere gekregen.

Wat waren ze blij, die twee!

Sluiten