Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze vlogen schreeuwend en kakelend in hun hok. Ze waren half dood van de schrik.

Maar één kip kon zo gauw het hok niet vinden. Bruno rende die kip maar achterna. En dat arme dier vlóóg.... vlóóg....

Klets, in de sloot.

Toen de boer er bij kwam, was de kip al verdronken. Toen kreeg Bruno klappen.

Zo moest hij gehoorzaamheid leren.

Zo moest hij leren, om een kalme, verstandige hond te worden.

Bertus was ook al groter geworden.

Hij kon al rechtop zitten, als zijn moeder hem vasthield. Hij kon ook al lachen. En soms praatte hij. Kleine, rare woordjes, die niemand verstond: Dada!... . Poekke-poekke-poekka!.... Da-wa-wa!" Bertus deed nog geen dwaze dingen. Hij had ook nog nooit straf gehad.

Eens, op een mooie dag, zei de boerin: „Ons kindje kan wel buiten liggen. In de frisse lucht. Dat is gezond."

Toen droegen ze de wieg in de tuin. De boer en de boerin samen. En de boerin legde er een gordijn over voor de vliegen.

„Zo kan het best," zei ze.

Bertus sliep. Hij merkte er niets van.

Sluiten