Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ging de boer aan het werk op de akker. Hij ging de aardappels wieden.

De boerin ging aan het werk in de keuken. Zij schrobde de vloer.

En Gerrit werkte in de tuin. Die pootte boontjes.

En het wiegje stond alleen op de bleek.

3. WAT EEN SCHRIKI

Toen kwam Bruno er aan.

* Hij dacht: „Wat is dat voor een ding?.... Is dat ook een hondemand?.... Ik zal eens even kijken." Hij snuffelde aan de wieg. Hij ging er tegen op staan. Hij blafte er tegen, heel hard.

Toen werd Bertus wakker. Hij gaapte een paar keer. En toen ging hij kleine woordjes praten, die niemand verstond.

„Brr, brrl.... Poekke-poekke-poekkal.... Da-wawa! ....

Bruno spitste zijn oren. Wat hoorde hij daar?.... Lag er een hondje in die mand?.... Dat moest hij weten!

Hij blafte.

Hij trok het gordijn van de wieg af.

Hij ging op zijn achterpoten staan.

De wieg was te hoog. Bruno kon er niet in kijken. Maar Bruno wilde het toch weten. Hij nam een sprong!.... Wip, daar zat hij bovenop de wieg.

Kijk eens, er lagen ook lappen in die mand, net als bij hem!.... Zou daar ook wat onder liggen?

Bruno nam het dekentje tussen zijn tanden. Hij trok het helemaal weg.

O, kijk eens, daar lag wat! Daar lag een heel klein....

Ja, wat was dat?... .

Bruno blafte drie keer.

Dat betekende: „Wie ben jij?.... Ben jij ook een

Sluiten