Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de arm. Dan hield ze hem vlak voor het raam.

„Kijk Bruno," zei ze dan, „dat is je kleine baasje!.... Kijk Bertus, dèt is Bruno!". .. .

Bruno legde zijn kop op de vensterbank en keek. .. . en blafte. En hij kwispelde heel hard met zijn staart.

En Bertus kraaide en lachte. En hij sloeg met zijn handjes tegen de ruit.

Maar praten, écht praten, dat kon hij nog niet.

Toen werd het weer voorjaar. Toen was Bruno al een heel groot beest geworden. Een reus van een hond.

En eens, op een mooie morgen, daar kwam een klein mannetje aankruipen. De keuken door, de drempel over, op handen en voeten de tuin in. Daar kwam de kleine baas.

Bruno was er dadelijk bij. Hij blafte van pleizier. Hij zei: „Dag kleine baas, kom je nu met mij spelen?" „Da-dal"... . riep Bertus.

En toen speelden ze samen. Bruno ging op de grond liggen en zwaaide met zijn staart. En Bertus moest de staart pakken. Hij trok ook aan Bruno's lange oren. Hij rolde over hem heen. En hij kraaide van de pret.

De boer en de boerin kwamen kijken.

„Laat ze maar gaan," zei de boer. „Het kan nu best." „Ja," zei de boerin. „Ze zijn al dikke vrienden."

Toen speelden ze iedere dag met elkaar. En toen het zomer werd, leerde Bertus lopen. Toen werd het nog veel mooier.

Als je Bertus zag, dan zag je Bruno ook.

Altijd waren ze samen.

Eens, op een warme dag, hadden ze heel lang gespeeld.

Toen werd het avond.

Toen waren ze beiden moe geworden.

Sluiten