Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij mee," blafte Brunö.

Maar Bertus had geen tijd voor de hond. Hij hoorde het niet eens.

En de vogel floot.

Piere-wiere-wietl

Doe het toch nietl

Doe je moeder toch geen verdrietl

Maar Bertus deed het toch. Al klopte zijn hart ook nog

zo snel.

Hij ging naar het bos, om nog meer bramen te eien. En als hij genoeg gegeten had, dan pas zou hij terug komen.

Of misschien....

„Misschien blijf ik wel altijd in het bos," dacht die boze Bertus. „Dat kan bestl Er is ergens een plekje, daar hebben grote jongens een hut gebouwd van takken. Dan blijf ik daarin wonen. Dan eet ik altijd lekkere bramen.... Net goed.... Moet moeder mij maar geen bietjes geven"....

O, domme, boze Bertus.

7. BERTUS IN HET BOS

Qertus kwam op de bosakker. Maar hij vond er niet ® veel zwarte bramen meer. Hij had ze die middag al allemaal geplukt. Er waren nog wel rode. Maar die waren zuur. Die lustte Bertus niet. Dan kon hij nog beter bietjes eten.

Toen ging Bertus het bos in. Hij dacht: „Daar groeien bosbessen. Die zijn ook lekker."

Het was heel stil in het bos. Zo stil als in de kerk. En het werd er ook al een beetje donker.

Bertus liep maar. . . . Bertus zocht maar. . .. Maar hij kon de bosbessen niet vinden. Ze waren nergens. Er groeiden alleen maar bomen en struiken en mos. En een lege braamtak. Die greep Bertus vast. Die prikte

Sluiten