Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zaten nog tranen op moeders wangen. Maar ze lachte toch al weer.

Vader ging praten. Of Bertus nu wel wist, hoe stout hij geweest was. Hij had ba gezegd tegen het eten. Hij had met de vork op tafel geslagen. Hij was weggelopen. Hij had vader en moeder zo vreselijk veel verdriet gedaan.

Bertus knikte maar. O ja, hij schaamde zich erg. Hij was een lelijke, koppige jongen geweest. Hij had wel honderd lelijke dingen gedaan.

Maar toen vader niet meer praatte, nam hij gauw een hapje aardappels met bietjes. En hij proefde ook even van het spek.

Wat was dèt raar! Vanavond lustte hij het niet en nu smaakte het zo lekker! Hoe kon dat nou?....

„Het kind heeft honger," zei moeder. Zij ging het eten warm maken in een pan. En toen mocht Bertus alles opeten. Hij lustte het best, hoor! Bietjes met spek.

Toen ging hij naar bed.

En toen moeder hem onderdekte, sloeg hij beide armen om haar hals.

Hij zei: „Moeder, ik zal nooit meer weglopen. En ook niet meer ba zeggen. En ik wil voor u wel alle bietjes opeten van de hele wereld!.... Morgen dadelijk wel, moeder!"

Moeder lachte.

„Morgen is hei Zondag," zei ze. „Dan krijgen wij rijst met bessensap."

„Lekker," zei Bertus. „En nu bidden, hè moeder?". .. . Toen knielde moeder vóór het bed. En Bertus knielde in het bed. Toen spraken ze samen, heel eerbiedig, tot God. Ze dankten den Heere, dat Hij Bertus had bewaard. Ze vroegen om een nieuw hartje, voor een klein, dom jongetje.

Toen viel Bertus weer in slaap.

Sluiten