Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En één ging mooi rechtop zitten voor het bed.

„Bertus, heb je ook nog iets aan den Heere te zeggen?" „Ja, moeder," fluisterde Bertus. „Dat... . dat ik zo'n spijt heb. ... En da 'k het nooit weer zal doen".. ..

10. BRUNO’S DOOD

Toen zijn er heel veel jaren voorbij gegaan. Heel, heel • veel....

Toen was Bertus al een jonge, sterke boer geworden, die egde en ploegde en het koren maaide, net als zijn vader.

En Bruno?.... Och, toen was Bruno een oude, een heel oude, gebrekkige hond geworden. Hij was bijna blind en heel erg doof. Hij kon nog maar zachtjes lopen op zijn oude stijve poten.

Soms trapte hij op de bloemen en op de groentebedjes. Soms kwamen vreemde mensen bij zijn hok en dan blafte hij nog niet.

En de mensen zeiden: „Wat doe je toch met dat oude beest? Die hond is niets meer waard. Die moet je verdrinken in de sloot. Waarom niet?"....

Ja, waarom niet?....

Dat was het geheim van Bertus en Bruno.

Bruno kreeg iedere dag lekker eten en drinken, zoveel als hij lustte.

Hij kreeg een warme deken in zijn mand, een paardendeken.

En 's winters, als het koud was, mocht hij in de kamer liggen. Met zijn staart haast tegen de kachel. Met zijn neus op de voeten van den baas.

Maar toen is Bruno ziek geworden.

Bertus liet den dokter komen. Den dierendokter.

Die schudde zijn hoofd.

Sluiten