Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Leren, moeder?”

„Ja, Jan. Weet je nog van vanmorgen? Yan de suiker?” Jan kreeg een kleur.

„En weet je nog van vanmiddag? Van de steenkolen?”.... Jan kleurde nog erger.

„En van vanavond, Jan.... Weet je nog, toen jij op broertje passen moest?”....

Toen sloeg Jan zijn armen om moeders hals. Heel stijf. Hij fluisterde ook iets in haar oor. Heel zacht en verlegen.

En toen wist moeder, dat Jan er spijt van had. Ze gaf hem een zoen.

„Je bent toch mijn jongen,’ zei ze. „Doe maar eens goed je best, hoor!”

Jan vroeg: „Zal ik nu nog suiker halen, moes? En steenkolen? Ik durf best in het donker”

Maar dat hoefde niet. Ze gingen samen eten. En de boterham had nog nooit zo lekker gesmaakt.

Toen bracht moeder Jan weer naar boven. Ze vroeg: „Jan, weetje wel, wie ons nóóit vergeet? Weet je wel, wie ons dadelijk hoort, als wij Hem iets vragen?” „Jawel, moeder,” zei Jan. „De Heere”....

„Dan zullen wij iets aan den Heere vragen, hè Jan?.... Of Hij je helpen wil, dat je een gehoorzame jongen wordt.”

Dat deden ze.

„Dag Jan! Dag moeders knechtje”

„Dag moes.”

Én toen moeder de trap af ging, toen riep Jan haar na: „Morgen, moes, dan help ik u goed, hoor! Dan zal ik een hele boel voor u doen. En zó vlug, moeder!.... Zo vlug als ik kan!”

Toen werd het weer stil in huis.

Moeder stommelde in de keuken.

En de wind fluisterde voor het raam.

Wat fluisterde de wind?

„Dag Jan!.... Dag moeders knechtje!”

Sluiten