Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. TWEE JONGENS EN EEN BAL

Doortje, de meid, was in de keuken bezig.

En de beide broertjes speelden in de tuin. Grote Wim en kleine Henk. Het was op een vrije Woensdagmiddag. Wim had zijn dikke bal gehaald. Daar speelden ze mee. Wim zei: „Ik zal zo hoog gooien als het nuis!”

En Wim gooide.... Bom!.... Tegen de dakgoot.

Henk je zei: „Ik zal zó hoog gooien! Zo hoog als de pereboom!”....

En Henkje gooide.... Bom! Tegen de takken.

Wim zei: „Nu zal ik zó hoog gooien!.... Zó hoog.... zo hoog als de lucht!.... Ik zal een gat in de lucht gooien. Kijk maar!....”

En Wim gooide.... Bom, klets, rin-kin-kink! Een

gat in het raam van de slaapkamer.

O, wat schrokken ze!

Wim fluisterde: „Niet vertellen, hoor!.... Niets van vertellen!”. ...

„Nee,” zei Henkje, „niets van vertellen.... Maar tegen moeder wèl, hè?”

„Neen jongen, domme jongen! — Tegen moeder óók niet.... Want dan krügen wij straf. Pas op, hoor!” „Goed,” zei Henkje. „Tegen moeder ook niet. Ik zal wel oppassen”....

Toen ruimden zij samen de scherven op, heel haastig. Wim sneed zich aan zo’n scherp stukje glas, maar hij voelde het niet. Ze gooiden de scherven in de vuilnisbak. Jan gooide de bal in de schuur.

„Doortje heeft niets gezien,” zei hij. „Kom maar.”

„Ja, kom maar....” zei Henkje.

En toen gingen ze weer samen spelen. Ze gingen knikkeren. En Wim bond zijn zakdoek om zijn vinger. Die bloedde zo.

ader was naar zijn werk. Moeder was uit.

Sluiten