Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel te rusten, Wim...."

„Wim!.... Wim!....”

„Nou, wat heb je nu weer?”

„O Wim, luister eens!.... Als er nou eens een dief komt, hè?.... Dan kan die zo met zijn hand door het gat!.... Dan kan die zó maar bij het haakje, Wim! En dan is het raam los. En dan is de dief in de kamer. Zou hij ons ook meenemen, Wim?”....

„Och, rare jongen, ga toch slapen! Er komen immers geen dieven.... Wat zeur je toch?”....

„Echt niet, Wim?”

„Och, wel nee, jongen!.... Nu niets meer zeggen, hoor!.... Da-ag!”

„Wel te rusten, Wim.”

„Wim!.... Wim!”....

Er komt geen antwoord.

„Wim, slaap je al? Nee, hoor, je slaapt niet, want ik

hoor je wel! Je snuift zo raar door je neus.... Wat doe je toch ?”....

Maar Wim zegt niets. Het blijft heel stil op de kamer. „Wim, hoor eens. Ik ben zo bang in het donker!.... Nu is de Heere boos op ons, Wim! Én als.... Wim, wat doe je toch? Huil je?”....

Wim zegt nog niets. Maar hij gaat uit bed. Hij knipt het licht op.

Hij zegt: „Kom maar, dan gaan wij samen naar moeder

toe, hè? Ik zal het wel zeggen, hoor! Want het is

mijn schuld, het is allemaal mijn schuld ”

Toen zijn ze samen de trap afgegaan. En de gang door. En toen de kamer in. Op hun blote voeten.

Moeder was eerst wèl boos.

En vader ook. Niet zo erg om de ruit. Want dat was een ongeluk.

Sluiten