Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. DRIE BROERTJES EN EEN KAR

Er ging een karretje over de straat.

In dat karretje zat de meneer. Dat was meneer Jan. Voor dat karretje liep het paard. Dat paard heette Jaap. En achter het karretje liep de knecht van den meneer. Die knecht heette Joop. Die kon niet meer in het karretje zitten. Want dan ging het niet hafd genoeg.

De meneer trok aan de leidsels. En hij klapte met zijn zweep. En hij schreeuwde: „Vooruit paard!.... Vooruit!”. ...

De knecht van den meneer duwde. En hij schreeuwde ook: „Vooruit!”

En het paard rende.... rende,.... zo hard als het kon. En het hinnikte. En het karretje slingerde over de straat. O, het ging hard, hoor!

Het ging heerlijk!

De meneer was een broertje van den knecht. En de knecht was een broertje van het paard.

Meneer Jan was de jongste en de kleinste. En paard Jaap was de oudste en de sterkste.

Sluiten