Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vooruit, paard!.... Vooruit!”....

Toen kwam er een fiets aan.

Die schelde: „Tingeling!.... Tingeling!”....

Dat betekende: „Pas op, ik moet voorbij, hoor! Vlug

aan de kant!”....

Maar de meneer hoorde het niet. Die schreeuwde maar. De knecht hoorde het ook niet. Die duwde maar. En het paard hoorde het helemaal niet. Het paard rende en sprong en hinnikte maar.

En de wielen van het karretje ratelden.

Het karretje slingerde over de weg.

Nu naar links.

Dan naar rechts.

O, o, pas op! De fiets reed haast tegen het karretje!

Nog juist ging het goed!....

De man op de fiets bromde: „Wilde jongens, pas toch op!”....

Maar de jongens lachten. En ze reden nog harder en nog wilder. Midden over de weg.

En meneer Jan zei: „Wat bromde die man toch?.... Was hij boos op ons?.... Waarom dan?.... ’t Is een echte brompot, noor!”

Maar de anderen hoorden het niet.

Toen kwam er een auto aan. Die toeterde: „Toe-toet!.... Uit de weg!.... Vooruit!”

Maar geen van de drie hoorde het.

„Toe-toet!.... Uit de weg dan toch!.... Ik moet voorbij!”. ...

Maar het karretje slingerde verder. Links — rechts. Links — rechts.

En de auto kon niet voorbij. Hij moest achter het karretje blijven.

„Toe-tóet!”....

Neen hoor, het hielp niet. Die jongens leken wel doof. Maar toen.... De auto reed vlak achter het karretje. En toen liet meneer Jan zijn zweep vallen.

„Ho paard, ho!”....

Sluiten