Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het karretje stond stil.

Rang! ging het. Vlak achter hen. De auto stond óók stil. Nog net op tijd. Vlak achter de hielen van Joop.

Toen reed de auto in een bocht om ze heen.

De meneer, die er in zat, tikte tegen het ruitje. Hij stak zijn vuist op. Hij keek heel boos.

Maar de jongens lachten.

Tan zei: „Wat deed die man raar, hè?”

Jaap zei: „Hij leek wel boos! Waarom?.... Hij kon toch best voorbij!

jO, o! riep Toop. „Hij heeft de zweep kapot gereden! Kijk eens, helemaal kapot! Nou, t is een rare man, hoor!”

Toen kwam er een kar aanratelen. Een grote kar met een bruin paard er voor. Die reed heel hard.

Op die kar zat een man. Zijn pak was wit. En zijn pet was wit. En zijn snor was ook wit. De hele man was wit. En op die grote kar stonden roitte zakken.

„Het is de molenaar, ’ zei Jaap. „Die gaat naar den bakker toe. Die gaat meel brengen bij den bakker.”

„Vooruit paard! riep Jan. „Wij moeten ook mee.” „Vooruit!’ schreeuwde Joop.

Daar gingen ze weer. Achter de grote kar ««n,

„Vooruit! ’ riep de molenaar.

„Vooruit, paard!” riep meneer Jan.

Acht wielen ratelden. Vier grote en vier kleine.

Twee paarden draafden. Eén groot paard en één klein paard.

O, dat ging pas heerlijk!

Vooruit....

Toen kwamen ze bij het huis van den bakker.

„Ho! riep de molenaar.

Het grote paard stond stil.

„Ho!” riep meneer Jan.

Toen stond het kleine paard ook stil.

De molenaar sprong van de kar. Hij pakte een grote

Sluiten