Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

witte zak. Hij legde die op zijn witte rug. Een zak vol meel. Die bracht hij bij den bakker.

Jaap zei: „Daar bakt de bakker brood van. Roggebrood en tarwebrood en wittebrood. En kadetjes.”

„Lekker,” zei Jan.

Ze gingen het paard bekijken.

Het was een mak paard. Het had grote bruine ogen. Die keken vriendelijk.

En zijn grote, bruine kop ging op en neer. Het paard knikte.

Dat betekende: „Dag, jongens!”

„Dag paard,” zei kleine Jan.

Jaap plukte een beetje gras.

„Hier paard, lus je dat?’

Het paard lustte het best.

Hij pakte het gras aan. Heel voorzichtig. Met zijn grote lippen.

Zijn grote kop knikte weer.

Dat betekende: „Dank je wel, hoor! Krijg ik nóg wat?” Het paard kreeg nóg wat. Eerst van Joop en aan van Jan. De grote, bruine kop knikte.

„Lekker, lekker! Dank je wel!”

Opeens riep Joop: „Zeg, waar is Jaap gebleven?”.... Toen gingen ze allebei zoeken, Joop en Jan.

„Jaap, Jaap, waar ben je?”

Jaap was achter de kar. Hij deed wat met de leidsels. Wat deed hij er toch mee?

O, o kijk eens! Hij bond het éne eind aan hun eigen kar. Hij bond het andere eind aan de kar van den molenaar. Toen lachte Jaap. En toen ging hij gauw in de kar zitten. En zijn ogen schitterden van de pret.

Hij zei: „Vooruit zeg, kom er óók in! Gauw dan! Dan laten we ons trekken, hè? Het kan best. Het paard is sterk genoeg!”....

O ja, dat was fijn! Dat was een prachtig plannetje.

Sluiten