Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loop kroop gauw voor Jaap. En Jan kroop gauw vóór Joop. Ze konden er net in met hun drieën.

„Nu stil zijn, hoor!” fluisterde Jaap. „De kar is al leeg. De molenaar rijdt dadelijk weg.... Hij is nog bij den

bakker. Als hij ons maar niet ziet, zeg! Stil hoor!”

Jan kneep Joop in zijn been: „Fijn,jiè?”

„Stil nou, jongen!”....

Joop gaf Jaap een duw.

„Wat zullen we hard gaan, hè?”

„Houd je mond nou, jongen!”....

Nu wachtten ze, heel stil. Hun ogen schitterden. „Die Jaap, nou, die kon mooie plannetjes maken, zeg!”

Ze gluurden onder de grote wagen door.

Kom nu, molenaar!

Kom nu toch!

„Daar komt hij aan!” fluisterde Jan.

«Hij komt er aan! fluisterde Joop.

„Stil nou toch!” fluisterde Jaap.

Hun harten bonsden. Ze gluurden onder de grote kar

Twee benen kwamen naar de wagen. Twee wit bestoven benen. Ja hoor, dat was de molenaar.

Zou hij de jongens zien?

Neen hoor, neen! Hij zag ze niet

Weg waren de benen.

De molenaar zat op de kar.

„Vooruit Bruin! Vooruit!”

O, o, wat een schok!

„Pas op!” riep Jan.

Hij rolde achterover. Tegen Joop.

„O. o, pas op!” riep Joop.

Hij rolde ook achterover. Tegen Jaap.

„O, pas op! Houd je vast!” riep Jaap,

Jaap rolde ook achterover. Jaap rolde bijna uit de kar Hij greep zich nog juist vast aan Joop. En Joop greep zich vast aan Jan. En Jan greep zich vast aan het touw. ü-n net touw brak met. Het was heel sterk.

Sluiten