Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het karretje danste. Het karretje slingerde.

Hup! Naar links.

Hup! Naar rechts.

Hup! — Wéér naar links.

„O, o, pas op!.... Ho dan toch!”

De wielen ratelden.

En er kwam ineens een grote auto öm de grote wagen. Die ging zo hard!

Hup! Naar links ging het karretje!

„Toe-toet!.... Rrrrf...”

O, o, de auto ging vlak langs het karretje. Nog nèt er langs!

De jongens beefden van de schrik. O, het was zo gevaarlijk! Ze konden best een ongeluk krijgen.

Rrr! Er vloog een andere wagen voorbij. Ook vlak langs het karretje.

En toen wéér een auto.

Toe-toet!.... Bijna over het karretje.

De jongens huilden van angst.

„Molenaar! Molenaar, ho dan toch!”

Maar de molenaar hoorde het niet.

Kleine Jan zat vóóraan in het karretje.

Hij kon niet zijn handen vouwen. Hij durfde ook niet zijn ogen sluiten.

Hij riep zó-maar, zo als hij daar zat: „O lieve Heer, help ons toch!”....

Maar dat was tóch een gebed.

Zou de Heere het wel horen?

O gelukkig, gelukkig!....

Toen ging de grote kar ineens langzaam rijden.

Maar het kleine karretje reed nog hard. Het bonsde tegen de grote kar.

Jan zat voorop. Jan stootte zijn hoofd tegen de grote kar.

„Au, o, au, mijn hoofd!” huilde Jan.

Maar niemand hoorde het.

Sluiten