Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen draaide de grote kar een zijwegje in. Toen waren ze al dicht bij de molen.

Stap, stap, stap, deed het paard.

Grote stappen.

Langzame stappen.

Joop wou gauw uit het karretje klimmen. Maar Jaap deed zo wild! En er waren grote plassen op dat weggetje—

Klets, Jaap viel. Net met zijn broek in zo’n grote plas.

O ba, wat was dat nat!

Joop wou ook uit het karretje klimmen. Maar toen nam de grote kar juist een draai. En Joop viel ook. Bom! Net met zijn knie op een dikke steen. O, au, wat deed dat zeer!....

Toen zat Jan nog alleen in het karretje. En Jan huilde maar.

„O, o, mijn hoofd! O, o!”

„Ho Bruin,” zei de molenaar. De kar stond stil voor de molen. Maar het kleine karretje reed nog een klein eindje door.

Bom! Weer een bons tegen Tans hoofd. Nog zo’n harde. „O, o, mijn hoofd, mijn hoofd!” huilde Jan.

Dat hoorde de molenaar. Hij sprong gauw van zijn kar. Hij kwam nieuwsgierig achter zijn kar kijken.

En toen zag hij.... drie jongent jes.

Eén in een karretje, met de hand aan zijn hoofd. Dat was een klein jongentje.

Eén op de weg, met de hand aan zijn knie. Die was een beetje groter.

En één, een eindje verder op de weg, met beide handen aan zijn broek. Die was nog een beetje groter.

En ze huilden alle drie.

„O, o, mijn hoofd!”....

„Au, au, mijn knie!”

„O ba, mijn broek is nat!”....

De molenaar lachte niet. Hij keek booa. Vreselijk, wat

Sluiten