Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ue molenaar maakte net touw los. En hij bromde: „Vooruit, naar huis, rakkers! En pas op, dat je niet weer zo dom doet, hoor! Dan roep ik den veldwachter. Dan moet je in de gevangenis! Echte kleine domme jongens zijn jullie nog Mars!”

En daar gingen ze weer met hun karretje.

Jan had een buil op zijn hoofd.

Joop had een wond aan zijn knie.

En Jaap had een natte broek. Dat plakte zo.

O, o, wat was het naar!

Toen kwamen ze op de straatweg.

Daar mocht Jan weer in het karretje zitten. Want hü was de kleinste.

En Jaap moest weer trekken. Want hij was de grootste en de sterkste.

Joop duwde weer.

Maar het paard maakte geen wilde sprongen. En het hinnikte ook niet.

De knecht van den meneer schreeuwde niet.

Fn “?neer zelf? Die zat met beide handen aan zijn hooid. Die zat te voelen, hoe dik de buil al was.

„Ting-ting!.... Tingeling!”

Er kwam een fiets aan.

„Aan de kant!” schreeuwde Jan.

„Aan de kant!” riepen Joop en Jaap.

Ze gingen vlug op zij.

„Toe-toet!”....

Er kwam een auto aan.

>,0 pas op, aan de kant!” riep Joop.

„Aan de Kant!” schreeuwde Jaap.

„Gauw, gauw dan! gilde Jan in het karretje.

Sluiten