Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze vlogen op zij. Ze kropen met kun karretje ackter de bomen. Daar wachtten ze, tot de auto voorbij was.

Jaap zei: „We moeten altijd goed uitkijken, hoor! Die auto’s rijden zó hard! Te kan best een ongeluk krijgen. „Ik zal óók goed uitkijken!” zei Joop.

„Nou hoor, ik óók, altijd!” riep Jan in het karretje. Toen vouwde hij even zijn handjes. Hij kneep zijn ogen stijf dicht. „Lieve Heere,” zei hij zachtjes, „ik dank U, dat U ons bewaard hebt.... Amen.

„Wat doe jij toch?” vroeg Jaap verwonderd. „Waarom knijp jij je ogen zo stijf dicht?’

„Ik ik Janneman werd een beetje verlegen. „Ik

had stof in mijn ogen.”

Maar dat was een leugen! Jan sckrok er van, toen nij daaraan dacht.

„Nee hoor, ik ik heb den Lieven Heer bedankt, zei

hij toen.

Daar werden ze stil van.

Ze reden weer verder. Kalm, voorzichtig. „

„Ik ga nooit meer achter een grote kar rijden, zei Joop. Hij wreef aan zijn knie. Die schrijnde zo.

„Ik ook niet,” zei Jan. Jan voelde aan zijn bult. Wat dik was die nu!

„Nee hoor, ik óók niet,” zei Jaap. „vast nooit, nooit

weer! .... , .

En Jaap voelde aan zijn broek. Die begon al een beetje

te drogen.

Gelukkig!

Sluiten