Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. IJS

Ting-ting-tin-ge-ling!....

Het was midden in de zomer.

Het was heel warm.

Toen ging er een wit karretje langs de weg.

Was het wel een karretje?

Yan voren had het twee wielen en van achteren één. Van voren was het een karretje. Maar van achteren was het een fiets.

Het was een fietskarretje.

Op de fiets zat een man.

Die had een witte jas aan. En hij belde met een koperen bel.

Ting-ting-tin-ge-ling!....

Toen kwam er een jongentje aandraven. Heel hard achter het karretje aan.

Dat jongentje had wat in zijn hand. Dat was hard en wit en als de zon er op scheen, dan glansde het. Maar het jongentje kneep zijn hand stijf dicht. En hij draafde maar.

„Meneer!.... Hei, meneer, wacht eens even!”.... Ting-ting-tin-ge-ling!....

Het karretje reed door.

En o, wat was dat jongentje warm! Zijn wangen waren heel erg rood.

„Meneer!.... Hei!.... Ho dan toch!”....

De man fietste. De bel belde. Het jongentje draafde en riep.

Maar de man hoorde het niet.

Toen kwam er een oud meneertje aan.

Die zei: „Hei baas, je wordt geroepen!”....

En toen stond het karretje stil.

En de bel was ook stil.

En het jongentje kwam hijgend aandraven.

Sluiten