Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe veel, jongentje?”

„Eén, meneer....”

„Van een cent?”

„Nee meneer, van een stuiver”....

Het jongentje legde een mooi blank stuivertje op de kar. Het glansde in de zon. Het was heel warm van zijn warme hand.

En de man legde er een pakje naast. Een mooi, wit pakje. Dat was niet warm. Dat was zo koud als ijs.

En toen pakte de man het stuivertje.

En het jongentje pakte het pakje.

„Dag meneer.”

„Dag jongentje. Eet maar lekker op, hoor!”

„Nee meneer,” zei het jongentje.

Maar de man hoorde het niet.

Hij fietste al weer.

En de koperen bel belde al weer.

Ting-ting-tin-ge-ling!

Dat jongentje heette Kareltje. En Kareltjes moeder was ziek.

Eerst was ze een beetje ziek. Toen deed ze haar werk nog.

Toen werd het erger. Toen moest moeder in bed blijven. Toen kwam de buurvrouw iedere dag om het werk te doen. En om het eten te koken.

En toen werd het héél erg. Toen werd de dokter geroepen.

De dokter schreef een briefje. Daar stond op, dat moeder een drankje moest hebben. Een heel bitter drankje. Zó erg was het.

En dokter zei: „Het moet heel stil zijn in huis. En dan zal dat drankje je moeder wel beter maken, Kareltje.” Toen ging de dokter weg.

Maar vader zei: „Dat kan het drankje tóch niet doen, Kareltje! Dan kan alleen de Heere. Wij zullen het aan den Heere vragen.”

En dat deden ze, vader en moeder en Kareltje ook.

Sluiten