Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kareltje vroeg het drie keer per dag: ’s morgens en ’s middags en ’s avonds.

Maar moeder kreeg ook het drankje. Drie keer per dag. ’s Morgens en ’s middags en ’s avonds. Elke keer vijf druppels.

En nu werd moeder al weer beter. O, wat gelukkig!.... Maar dat had niet het drankje gedaan.

Moeder lag in bed op de slaapkamer.

Naast haar bed stond een kastje.

Op dat kastje stond een flesje. Daar zat het bittere drankje in.

En naast dat flesje stond een glas. Daar zat water in. Want moeder had vaak dorst.

Het was leidingwater. En het was zo warm in de kamer. Het water was niet lekker koel. Het was lauw. Kareltje haalde vaak weer nieuw water voor moeder. Uit de kraan in de keuken. Maar dat was ook niet koel. En toen zei moeder: „Hè, dat water, dat helpt niet voor de dorst. Ik wou, dat het heel koud was, Kareltje! Ik wou, dat het zo koud was als ijs”....

Kareltje had vacantie. Hij was alleen met moeder thuis. Want vader was naar zijn werk. En de buurvrouw was al weer weg gegaan.

Moeder ging slapen.

En Kareltje ging op de stoep zitten.

Hij zat in de zon. De zon brandde. Maar Kareltje voelde het niet.

Hij dacht over moeder. En over het water. Hij wou zo graag wat voor moeder doen.

Hij dacht: „Zo koud als ijs?.... Dat kan tóch niet! In de zomer is er toch geen ijs?”

Toen ging er een karretje door de straat.

Was het wel een karretje?

Een man zat er op in een witte jas. En een koperen bel belde:

Sluiten