Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En het sleuteltje lag er naast.

„Gauw, gauw dan!.... anders was het karretje weg!”.... De spaarpot ging open. Het stuivertje rolde op de tafel. En toen stond Kar eitje even te denken. Want het stuivertje glansde zo mooi!....

Het was een nieuro stuivertje.... Hij had het pas van grootmoe gekregen....

Maar het moest, hoor, het moest! Het was voor moeder. En moeder zou zo blij zijn!....

En toen rende Kareltje de straat op.

Met het stuivertje stijf in zijn vuist. Het karretje achterna.

„Meneer!.... Hei, meneer, wacht eens even!”....

En nu had Kareltje het. Een mooi pakje, wit en kantig. En in dat pakje: twee dunne koekjes. En tussen die koekjes: iets wits, iets heel erg kouds. Dat was het. Dat was: ijs!

En hij stapte er trots mee de straten door. De ene straat in. De andere uit. Hij was nog ver van huis.

De zon brandde op zijn hoofd. Dat hoofd gloeide en zweette. Maar Kareltje gaf er niet om.

De zon brandde op zijn handen. Die handen werden heel warm. Maar Kareltje voelde het niet.

De zon brandde ook op het pakje....

Opeens, wat was dat?.... Wat kwam daar uit het pakje? Een grote droppel wit....

Kareltje schrok. Die droppel viel op zijn hand. Die was koud. Wat was wat?.... Ijs?....

Kareltje likte de droppel van zijn hand. Die was lekker. Kareltje begon wat harder te lopen.

O, kijk eens!.... Al wéér!

Drup, drup, drup....

Drie grote druppels op Kareltjes hand, drie koude witte druppels.

Sluiten