Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeft men zoo een loodrechten stand bereikt, dan trekt men de beenen beurtelings op en trapt afwisselend met de voeten en wel met de geheele voetzool in een kalm tempo krachtig tegen het water (dus omlaag). De handen diul t men gelijktijdig met gesloten vingers en met naar het water gekeerde handpalmen beurtelings naar beneden, echter kunnen deze bewegingen later zoo vereenvoudigd worden, dat ze in horizontale richting heen- en weerstrijken, en eindelijk geheel buiten werking gesteld worden.

EENIGE SPRONGEN i. De rechte sprong.

Men neemt een aanloop van eenige meters, zet zich met den rechter- of linkervoet van de punt der springplank krachtig af, zoodat men zoo hoog mogelijk en een flink stuk van de plank afkomt en springt dan in gestrekte houding, de handen langs de dijen leggend, in het water.

Na het afspringen kan men ter afwisseling in de lucht een halve wenteling naar rechts of links uitvoeren, of zich ook geheel draaien en dan met naar de springplank gekeerd gelaat in het water springen.

2. De zitsprong.

Evenals bij den rechten sprong neemt men ook bij den zitsprong een kleinen aanloop en stoot krachtig af. Onmiddellijk na het afstooten trekt men de beenen gesloten op, buigt het bovenlichaam een weinig naar voren en laat zich dan in deze stelling in het water vallen. De armen kan men daarbij óf gestrekt tegen het lichaam leggen, óf wel ook zoo zijwaarts houden, dat de handpalmen op het water slaan. De sprong kan ook zoo worden uitgevoerd, dat men na het afstooten de hoog opgetrokken knieën met de armen omvat. Deze variatie van den zitsprong wordt ook wel paketsprong genoemd.

Sluiten