Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten en dat in het hoofdstuk over kaartschetsen ter sprake komt.

Ongeveer een uur later staan we aan het aanvoerkanaal van de Leidsche waterleiding in de duinen bij Katwijk. Waar we ons precies bevinden is gemakkelijk vast te stellen door de richting van het kanaal ter plaatse te bepalen (handgreep C) en op de kaart een kanaalgedeelte te zoeken, dat dezelfde richting heeft.

Ai’b. 6.

Op een hoog duin aan de overkant van het kanaal staat een groote steen, waarschijnlijk een merksteen van de Rijksdriehoeksmeting. De steen komt niet voor op de kaart en omdat hij van verre zichtbaar moet zijn en later dus nog wel eens een goed oriënteeringspunt zou kunnen vormen, besluiten we hem op de kaart aan te geven. Het is niet noodig er daarvoor heen te gaan: vanuit drie punten (a, h en c op afb. 6), die op onze verdere weg liggen, bepalen we de richting, welke we op de kaart overbrengen (handgrepen C en D). Ook in dit geval moeten de lijnen elkander zooveel mogelijk in één punt snijden en vinden we in het snijpunt of het kleine driehoekje dat ontstaat, de plaats die we wilden bepalen.

We zullen hiermee het verslag van onze tocht beëindigen. We hebben gezien hoe een kaart georiënteerd kan worden, hoe we onze standplaats kunnen bepalen onder verschillende omstandigheden, hoe zonder pad met het kompas als wegwijzer naar een onzichtbaar doel kan worden geloopen, hoe de plaats van een „terreinvoorwerp” kan worden vastgesteld, zonder dat we er ons heen behoeven te begeven..

Ons verslag is een onvolledig verslag, want het spreekt niet van de wolken, de duinen, de dieren, de vogels. Is het noodig te zeggen, dat dat alles niet van minder beteekenis was, dan het hierboven beschrevene?

Sluiten