Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het maken van tochten bij duisternis of nevel is het van de kaart bepalen van richtingen en afstanden een minder prettige bezigheid, die het beste zoo veel mogelijk beperkt kan worden. Je doet daarom goed door met behulp van de kaart van te voren een schets te maken van de te volgen route, waarbij de te volgen richtingen in streken en de af te leggen afstanden op een flinke schaal worden aangeduid. Het aangeven van bosch, hellingen (door een pijltje) e.d. is daarbij natuurlijk aan te bevelen.

Het kan gebeuren, dat je hindernissen ontmoet, die Je

dwingen van de voorgenomen route af te wijken: een sloot of hek, een jonge aanplant, een gletscherspleet of een moerassig boschgedeelte. Je bent bijv. op weg van C naar D (afb. 7) en bij p gekomen blijk je niet verder te kunnen gaan. Je besluit links af te slaan en wilt later weer op de oorspronkelijke route terug komen. Je doet dan het beste door een schetsje te maken van de gevolgde weg: de gekozen richting bepaal je met de in hoofdstuk II beschreven handgroep C en met handgreep D geef je die op je papier aan. Zoo gaat het van p naar q, van daar naar r en tenslotte van r naar s. Uit de schets blijkt dan, dat je in die richting 260 m moet loopen, waarna je weer in de oorspronkelijke richting: 50 s, je weg kunt vervolgen. Tevens kun je nog uit je schets opmeten, dat de afstand van p naar s 260 m bedraagt.

Sluiten