Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Je gaat nu zoover tot je langs de eene zijde van die hoek kijkend het punt A ziet en langs de andere zijde kijkend het punt B aan de overkant. Na een paar keer probeeren zal je dat gelukt zijn en dan hoef je enkel de afstand C—A te bepalen, want die is even lang als de gezochte rivierbreedte (de driehoek CAB is een zoogenaamde rechthoekige gelijkbeenige driehoek). Je kunt voor dit doel ook twee horizontale gaatjes door je stok boren of branden, die samen een hoek van 45° vormen.

Ook je kompas is hiervoor een handig hulpmiddel. Je begint de richting A—B te bepalen: in dit geval 4 s. Daarna loop

je langs de oever tot je ongeveer zoo ver gegaan bent als de rivier breed is. Bij een bochtende rivier moet je er voor zorgen, dat je loodrecht op de richting A—B loopt. Desnoods even controleeren met je kompas: de richting A—C moet 64

4 — = 4 — 16 = — 12 of 64 — 12 = 52 s zijn. Nu weet

4

je, dat de richting C—B 45° of 8 s met de richting A—B moet verschillen en dus 4 s — 8s = — 4sof64s — 4s=60s moet bedragen (4 s + 8 s = 12 s wijst blijkbaar de verkeerde kant op. Die richting had je noodig gehad wanneer je niet stroomafwaarts, maar stroomopwaarts was gegaan). Je stelt je kompas dus op 60 s in en kijkt of je B werkelijk in die richting ziet. Zoo noodig ga je nog enkele passen verder of een paar meter terug tot zulks precies het geval is. Dan behoef je enkel nog de afstand tot A te bepalen en daarmee weet je dan de rivierbreedte.

Het is niet altijd mógelijk de heele rivierbreedte langs de

Sluiten