Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oever te loopen en daarom is vaak een andere methode noodig, die je hebt leeren kennen uit Het Verkennen voor Jongens en die op afb. 10 is aangeduid.

De afstand A—B is de gezochte rivierbreedte en om die te vinden ga je eerst van A naar C, welk punt je merkt (met een stok bijv.). Vervolgens ga je verder naar D, dat je óók merkt en daarna ga je landinwaarts tot je zoover bent, dat je C en B (aan de overkant van de rivier) in één lijn ziet, wat in E het geval is. Al loopende heb je de afstanden A—C, C—D en D—E bepaald door het aantal passen te tellen of met behulp van je stok en de gezochte rivierbreedte is A- c

dan ■ x D—E. Als je handig bent neem je D zoo, dat

u D bijv. 1/3 of 115 van A—C is. De breedte A—B is dan 3 maal of 5 maal D—E, zoodat je je daardoor deelsommen bespaart.

Ook bij deze methode kan je kompas van veel nut zijn. Zorg je er namelijk niet voor, dat D—E precies dezelfde richting heeft als A—B, dan maak je gemakkelijk een groote fout, vooral wanneer het een breede rivier betreft. Het is daarom verstandig de richting A—B te bepalen; de richting El—D moet dan de zelfde zijn en D—E 32 s méér (of minder).

Uit afb. 11 blijkt wat gebeurt, wanneer je er niet voor zorgt, dat E—D de zelfde richting heeft als A—B. Je kunt gemakkelijk nagaan, dat je daar een uitkomst zou krijgen, die 113 te klein is en de fout is daar nog niet eens zoo bizonder in het oog loopend en is soms ongemerkt nog belangrijk grooter.

Sluiten