Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van afstanden een vaardigheid, die je goed meester dient te zijn. Waar het om gaat is oefening: eerst schatten en daarna controleerèn, bijv. met behulp van een touw van bekende lengte.

Verder is vaak een goede methode afpassen. Dat vereischt kennis van de paslengte. Bereken die voor verschillende omstandigheden: gras, heide, op een mulle zandweg. Je kunt dat combineeren met het oefenen van schatten: eerst schatten, daarna afpassen, terwijl iemand anders meet. Je dient dus te weten, dat je gemiddelde dubbele paslengte voor een behoorlijk pad bijv. 1.56 m is (het loopt veel plezieriger wanneer je dubbele, inplaats van enkele passen telt).

Gaat het om een groot terrein, dan kan ook je fiets van veel nut zijn. Je berekent met behulp van kilometerpalen, hoever je vooruit komt, wanneer je trappers éénmaal geheel rond draaien. Die afstand hangt natuurlijk af van je versnelling en zal bijv. 5.20 m bedragen. Ook kun je afgaan op het aantal omwentelingen van je voorwiel, dat te bepalen isdoor een bandje aan een der spaken te bevestigen.

Voor kleinere afstanden kan een touw dienst doen, bijv. een lasso, waarin een zekere lengte door knoopen is aangegeven. Denk er aan, dat touw door vocht geweldig krimpt: controleer dus steeds voor je er mee gaat werken.

Vanzelf sprekend kan ook een meetband of -ketting gebruikt worden, maar die zal gewoonlijk niet tot onze uitrusting behooren.

Richting. Naast afstanden moeten richtingen worden bepaald. Ook richtingen zijn te schatten, maar daarbij is de kans op fouten nog heel wat grooter, dan bij afstanden. Hèt aangewezen hulpmiddel is het kompas, en dan uiteraard bij voorkeur een goed vizierkompas.

In het algemeen gesproken zijn er twee methodes te onderscheiden, die bij het maken van een kaart te gebruiken zijn. Allereerst kun je telkens van een zekere afstand lengte en richting bepalen, en daarnaast is het mogelijk van uit eenige punten de richting van andere punten vast te stellen. Door van twee, of beter drie punten, die reeds op je kaart voorkomen, de richting naar een ander punt op je papier aan te geven, krijg je dat punt als het snijpunt.

In Hoofdstuk III (afbeelding 5 en 6) hebben we die methode eigenlijk al gebruikt.

Ter verduidelijking zullen we achtereenvolgens beide methodes gebruiken voor het in kaart brengen van het terrein van onregelmatige vorm A-B-C-D-E-F (zie fig. 12 en 13). Allereerst brengen we een ■ Noordpijl aan en kiezen we een schaal. Ook deze wordt genoteerd; bovendien kan nog een schaal geteekend worden, waardoor iemand, die onbekend is

Sluiten