Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het terrein, gemakkelijker een indruk verkrijgt van de afmetingen. Volgens de eerste methode werkende, beginnen we in A. We bepalen de richting A-—B, en meten vervolgens daarvan de lengte. Wanneer je je vizierkompas gebruikt, wordt de richting met handgreep C bepaald (zie Hfdst. II). Het is een goede gewoonte om in B nog even te controleeren; de naald moet daar dan met de onbeschilderde zijde inspelen. A—B kan nu op het papier worden geteekend: het kompas

Afb. 12

krijgt met handgreep D zijn goede stand en op de mm-iudeeling ervan kan de vereischte lengte worden afgepast (fig. 12). Vervolgens wordt de richting B—C bepaald, daarna de afstand B—C, en wordt ook B—C geteekend. Op dezelfde wijze worden achtereenvolgens D—E en E—F bepaald en geteekend, en wanneer met de noodige zorg gewerkt is, zal F—A zoowel wat richting als afstand aangaat geheel blijken te kloppen.

Volgens de tweede methode te werk gaande (afb. 13) bepalen we in A allereerst de richting naar B, welke we vervolgens aangeven op het papier (handgrepen C en D). Hetzelfde doen we met de richtingen A—C, A—D, A—E en A—F. Vervolgens bepalen we de afstand naar B, en kunnen we dus dit punt aangeven.

Daarna bepalen en teekenen we de richtingen B—A (ter controle), B—F, B—E, B—D en B—C. De snijpunten yan de uit A en B naar een zelfde punt gerichte lijnen geven de plaats dier punten op de kaart en door ze te verbinden krijgen we de omtrek A—B—C—D—E—F.

Sluiten