Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rieks Manting had zich gewassen op de pompstraat, kwam in zij rood-baaien hemd de kamer in en trok steunend een schone boezeroe over de kop. Jan Luchies, zijn boer, zat daarbij en stak één hand u om hem de hulpzelen vast te knopen achter aan de boks. Daar ko Rieks zo onmenselijk mee staan wurmen in deze tijd, zijn armen ware stijf en pijnlijk van 't grasmaaien: vijftienduizend slagen op een dag. Jaantien, de boerin, poetste zijn schoenen met een restje smeer en wat spuug. Hij was er als kind in huis.

„Woar zal 't op an, jong?" vroeg Jan Luchies.

Rieks was zo dicht als een pot.

„Da moe w' nog es zien, jong," zei Rieks.

Maar hij wist het wel. Hij had als een kleine jongen de dagen en uren geteld tot deze feestelijke avond. Vier weken lang had hij veel gewerkt en weinig geslapen, anders niet. 's Morgens in de schemer stond hij al bij het diep je in de ma *) en zwaaide de zende door het vochtige gras. 's Avonds, als het grote licht weg was, zat hij nog achter de vlierstruik op het erf te knikkebollen boven 't haarspit. Dan lag hij zes uur meer dood dan levend in de beddestee, de volgende morgen als Geessemeu het gouden oorijzer opzette2) dan lagen naast hem in 't wijde land de eerste zwadden3) alweer te dampen. Een schipperjagerspeerd of een boerenknecht in de heuitied, wat was 't beste? Rieks was klaar, maar hij treuzelde nog wat met zijn schoebaanden 4). Onderwijl keek hij scheef naar den boer, die wat stond te grabbelen achter de grote glanzende deuren van 't kabinet. Daar rinkelde wat. Jan Luchies zat bij zijn geldzak. Dat maakte Rieks mededeelzaam. „Ik wol noar 't heuifeest in Battelte," zuchtte Rieks, alsof dat nog zwaarder dan grasmaaien was.

„Da wus ik ja wel," grinnikte Jan Luchies.

') Laag grasland. -) Als de zon opkwam. 3) Lange stroken gemaaid gras. 4) Veters.

„Dan vroag ie noar de bekende weg," stelde Rieks vriendelijk vast. Hij had zich niet vergist. De boer legde aarzelend en met een pijnlijk gezicht twee guldens op de tafelrand. Bij de derde aarzelde hij langer. Toen probeerde hij hem stiekum in zijn broekzak te smokkelen. „Een fikse jongkerel as ie moet wat in de buus 'ebben," zei hij royaal. „Wel bedaankt," knikte Rieks. „Maar die darde ma j' mij d'r ok wal bij geven."

„Nou, nou!" riep Jaantien, wat verontwaardigd. Die Rieks was toch smaanks 1) zo vrij in de mond.

Maar de boer durfde zich aan een gulden toch niet te laten kennen. „Der dan. Ie 'ebt joe ok goed weerd de leste tied."

Nu streelden Rieks harde vingers het zilver, zoals straks die van Jan. Hij liet ze pas achter de deur in zijn geldbuul glijden. Geeneen had er mee te maken, wat daar nog in zat.

Toen hij zich moeilijk op de fiets trok, stond de boer hem na te kijken voor de baander.2)

,,'t Is mörrung vrog dag, jong!" waarschuwde hij.

„Komp in orde, jong!" riep Rieks.

Hij reed langs de kaalgeschoren landen als een generaal langs het slagveld.

„Doar lig mien zwiet," dacht hij. „Maar ik 'eb 't weer wunnen veur van 't joar. Ik rie hier deftig met een witte boezeroen en een blauw pak langs de diek, al bin 'k dan een pond of wat lichter worden en ik 'eb drie gulden meer as aanders in de buus"....

Toen zat hij meteen weer te rekenen. Dat was slim met Rieks, zijn gedachten speelden altijd met getallen. Overdag berekende hij, wat hij

') soms. 2) grote schuurdeur.

Sluiten