Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^ 1

vV (K^ ' ^ ^

verdiende per uur, per zwadde, per slag met de zende. Hij had dat misschien van zijn vader; die had met rekenen en zuinig leven een eigen boerderijtje opgedolven uit koppige heidegrond. Dat was ook het ideaal van Rieks. Hij telde iedere dag zijn geld, hij had wat op de boerenleenbank en een beetje in 't beddestro en hij had zijn buul.... Een droom van stille uren kwam dan terug, een beeld van zijn toekomstig geluk, dat zweefde nu met hem mee in de avond. Het was een altijd meer omlijnd visioen: Hij zat in de hoek van de heerd met de voeten in de oven van het fornuis en rookte uit een lange, kromme pijp, de wind bolderde over het dak, de kachel snorde, de biesten *) rammelden aan hun kettingen in de stal, de hond lag met de neus op de kachelplaat. Een vrouw liep af en aan, schonk koffie in en vermaande de kinder. Veel kinder waren er, kleine en grote. En hij, RLks Manting, de boer, zat daartussen als een vorst. Aan de ene kant overzag hij door het raampje in de middelmuur naast de heerd zijn schuur en zijn vee, aan de andere kant zijn gezin....

En de Rieks Manting uit de droom keek voldaan de echte Rieks aan. „Kiek nou es, 'et wark van mien 'aanden," zei hij.

Maar de echte Rieks koerste over een smal krom paadje door de hei op de knienebaargen2) aan. Dat ging toen niet goed. Bij een bocht' maakte hij een dwaze buiteling over zijn omgeslagen stuur en kwam hals over kop in de bloeiende dophei te liggen.

„Wel blinder," hikte Rieks, „da's aans 3) as bij de heerd"....

Hij was met een sprong weer in 't einde en keek verstolen rond. Er was geen mens te zien. In de wijde eenzaamheid van hei en kleine berken lag een plaggenhut voor de blinkende helling van een stuifheuvel, een hut met een gevel van steen en de rode zon spiegelde in de kleine ruiten, alsof de kamer in vlam stond. Daar woonde Arend Jan Streupertien met wief en gezin. Zijn oudste was Mans, Mans Donder, omdat hij nergens voor stond. Die had het Orvinger wapen op 't gezicht: een rose litteken van voorhoofd tot kin, een aandenken aan een woeste vechtpartij in de Valthermond. Als dat wapen rood aanliep en twee smalle grijze ogen daarboven bliksemden, gingen de meesten uit de weg. Er waren nettere kameraden, maar geen betere: Achter Mans was men overal veilig. Rieks wist wel, wat hij deed, toen hij zijn gezelschap aanvaardde.

*) koeien. 2) konijnenbergen. 3) anders.

Mans stond zijn banden op te pompen bij 't potterek. Zijn moeder Geerte kwam gebogen het lage deurtje uit, het zwartsel zat in de rimpels van haar verschrompeld gezicht, haar handen verborg ze onder een schort van een jutezak.

Er was geen rauwer volk als de Streuperties in het hele landschap. „Hè j' wel een buusdoek, Mans?" vroeg Geerte.

„Joa," zei Mans.

„Hè j' geld?"

Ja, Mans had geld genoeg. Hij was zes weken naar Holland te hooien geweest, daar had hij tachtig gulden schoon geld van overgehouden. „Hè j' 't mes?" vroeg Geerte.

Dat wist ze niet beter, dat vroeg ze elke keer aan haar jongen als hij bij avond op pad ging, zoals ze voor dertig jaar het haar vader aan haar broers had horen doen. Zij kwam het veld niet uit, de wereld veranderde niet.

Ze fietsten achter elkaar en zochten het beste pad langs de brede mulle zandweg, Mans voorop. Links en rechts gleden de akkers voorbij, de stervende rogge, de haver, de bloeiende aardappelvelden, een weitje tussen de boswallen. Een wulp verhief zich schreiend boven een veenplas, een konijn toonde een ogenblik zijn witte staartje en was verdwenen. Over het koren lag een paarse gloed van de late zon.

Mans vertelde van Holland. Zijn stem klonk ver over het stille land. ,,'t Is doargunder niks weerd veur oons soort lu," zei Mans. „Eigen wor j' d'r nooit, ie kunt er niet tieren tussen al die vrumden. De boeren bint er zo trots as rammen, a j' ze bij de veurnoam nuumt, dan kiekt ze lilluk. En de wichter bint allemoal dames, die beschouwt je as een schooier."

Daar verheugde Rieks zich over, want hij had nooit de moed gehad om naar Holland te gaan, hoe het goud ook blonk. Tot Meppelt op de fiets, dat zou gaan. Maar over zee met de nachtboot en dwars door Amsterdam, daar schrikte Rieks voor terug als een kind voor het duister. Wat reizen betrof, was Rieks ouderwets: hij reisde alleen als het ijs sterk was, op scheuvels J), dat kostte hem geen cent.

Grauwe rieten daken doken op tussen het groen. Een oeroud torentje stak een kleine spits boven machtige eiken. Muziek, geschreeuw, de

!) schaatsen.

Sluiten