Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tingel-tangel van een draaimolen werden hoorbaar. Ze reden over een hobbelige keienweg het dorp in.

De boerderijen, oud en doorgezakt, met een veeg glans van het avondrood op hun flanken, lagen, ordeloos verspreid om de kerk, als een kudde schapen, die zich gelegerd had om den herder, breed en rustig, elk in zijn eigenzinnige stand. Het ene huis had de voorgevel, het andere de zijmuur of de achterbaander naar de weg gekeerd, voor het eerste pronkte een heel volle bloemhof met stokrozen en goudsbloemen, voor het andere een mesthoop met netjes afgestoken kanten. Aan de heggen en de hoogste boomtakken hingen hooiflarden, een enkel voer stond nog geladen onder de baanderhoek. En op de brink, bij de herberg van Glassies-Berend, waar het jonkvolk hoste en joelde om een paar kraampjes, was het feest.

Mans was niet te bepraten. Het geld uit Holland sprong hem in de buul. Hij gooide zijn fiets tegen de paardekrib onder de linden, greep den stribbelenden Rieks bij de mouw en trok hem als een kind mee naar binnen.

't Was kalm in de gelagkamer. Er zaten wat jongs en wichter in paren, het meeste jonkvolk was nog buiten en had zich nog niet gekoppeld. Glassies-Berend stond achter de tapkast en gooide een borrel in zijn keel, hij stond bekend als de beste klant van zijn eigen nering. Ze vielen neer bij een tafeltje voor 't raam en schoven hun petten in de nek. Mans gaf de eerste borrel, hij kreeg er van Rieks één weerom. De streupert kwam in de stemming. Hij riep om een karaft, hij sloeg met de vuist op het tafeltje. Hij eiste muziek en brulde het schone lied van het peerd van ome Loeks. Een harmonica viel in. Op de maat stampte een troep jongkerels naar binnen. Eén van hen die met Mans naar Holland was geweest, viel hij bijna om de hals.

„Val dood, kerel, is 't goed met joe? Een borrel op joe gezondheid!" Toen streek de hele zwerm neer om het tafeltje met de karaft.

Rieks zat wat stil en verveeld daarbij. Hij rekende na, hoeveel hij al verteerd had, hij zag de vinger van zijn moeder en haar ernstige ogen: „Ene road, Rieks! kom niet in de harbarge, doar heur ie niet!" Dat was vreemd, hij had zo vurig verlangd naar deze avond, nu wenste hij zich terug in het hooiland, met een zende of een rief *) in zijn handen onder de wijde hemel. Maar hij zat in de kring, htf moest zich op de schou-

*) rijf, hooihark.

Sluiten