Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rieks rukte zich los en zocht rond naar een wapen. Maar Hille greep de hond en kneep die de bek dicht. Meteen wist zij Rieks nog tegen te houden.

„Wö j' Zundagoavond wéér kommen?" vroeg ze zacht.

„Natuurlijk," zei Rieks.

„En dan?"....

„Aaltied."

„Betoal dan," zei ze rustig, „dan hol ie de kleren heel. Een kan drank bin 'k joe toch wel weerd?"

De rooie nam het geld in ontvangst, het was ongeveer de fooi van Jan Luchies. Het deed toch pijn.

„En de eerste de beste, die inij nog lastig valt!" dreigde Rieks. De troep trok lachend en schreeuwend af. Hij kon gerust wezen. Rieks Manting had zijn meid gekocht en betaald, dat werd wel rondverteld.

Zij gingen naar binnen. Ze dronken koffie en aten brood met spek bij het olielampje, bij het gegons der vliegen en het zware ademen der slapende ouden. Daarna zaten ze nog lang in het stookhok. Aan Rieks droom bouwden ze beiden nu verder. Veel kinder, dat wou zij later ook. En klein beginnen, zonder schulden, liever een betaalde sikke *) dan een geborgde koe.

Maar een lijster begon zacht te fluiten op het dak met zijn kop gericht naar een gele streep aan de grauwe einder.

„Het wordt dag," zei Hille. „Nou moe j' vort goan, Rieks."

Hoe goed en zacht was haar gezicht, als van een moeder. Ze haalde een das voor hem, de nevels waren kil. Ze nam zijn stoppelig gezicht tussen haar handen en zag hem aan.

„Veur aaltied?" vroeg ze.

„Yeur ieuwug," zwoer Rieks.

„Veur ieuwug? .... Yeur ieuwug?" vroeg een kievit in het veld.

Toen hij wegreed in het nuchtere eerste licht, was het hem, of hij ontwaakte uit een schone droom.

Halverwege Orvinge stond een fiets in de struiken geworpen, een man lag er by te snurken in het bedauwde gras. Mans Donder was stomdronken.

geit

Sluiten