Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie de daar de Mei goat, goat geern *), De vierde Mei met eren,

De viefde Mei blif 2) geern."

Rieks ging de derde, want zijn hart trok naar Hille. Hij gaf fatsoenlijk zijn afscheid aan de jongens in Orvinge, hij gaf zijn „anscheid" aan die in Battelte. Dat kostte hem telkens een knap stuk geld. Maar voor het raampje van de hooizolder in zijn nieuwe boerderij kon hij de rook uit Hille's stookhok boven de elzen zien stijgen.

Dat was een paar kan jenever waard.

Jans Oldenbanning was maar een klein, verschrompeld mannetje, maar hij was een dikke boer, men hield hem voor een van de rijkste van 't Battelter karspel. Hij was geen grote boer: hij had niet zo bar veel land. Hij werd al een dagje ouder, nu wilde hij tijd houden voor zijn functies in de boerenleenbank en de fokvereniging en voor zijn wethouderszaken. Iedere week reed hij een paar keer met zijn sjees naar het gemeentehuis en stalde bij Glassies-Berend. Dan keek hij zo plechtig als bij een begrafenis en zijn onderlip hing breed naar voren als van een paard. Zijn geslacht, zei hij, was het eerste dat zich vestigde hier in 't karspel en er was niemand, die dat tegensprak. De naam Oldenbanning had een klank als van oud, zwaar goud.

Dat was vroeger zo. Een jaar of vier geleden had het goud een barst gekregen. Het was tussen de keien van de dorpsstraat in de modder gevallen en alleman had er zijn voeten op gezet. Dat werd niet meer vergeten, want de oorzaak van dat gebeuren liep dwaas te springen op Oldenbannings erf, of stond wezenloos te kwijlen bij het hek, en reed de laatste tijd grijnzend mee naast Rieks Manting op de hooiwagen. Dat was klein Jansie Oldenbanning, het idiote kleinzoontje van den machtigen boer, een onecht kind van zijn dochter Triene. Sinds zijn geboorte liet de oude Jans trots de lip hangen als hij door het dorp ging.

Het was de arbeider Freerk, die Rieks inwijdde in de geheimen van het huis.

„De vrouw van Jans," vertelde hij, „is v oeger schrokken veur een kalf. Dat luup 'eur bij oavund tegen 't lief, doe Triene kommen mos, ') gaarne. 2) blijft.

Sluiten