Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zie nog dat gezicht van die kale student. Ilij nam de 'oed of veur Jans en hij d'r van deur. Hij 'ef zuk *) nooit meer in Battelte zien laten. Moar een moand of wat later doar ha j' 't gegooi in de glazen. Doar kreeg Triene een jonge zeün, tien keer zo gek as ze zulf was. Nou dut Triene het hoesholden en ze is er niet mooier op worden de leste tied. Verkering 'ef ze niet meer 'ad. Moar pastie moar op, mien jongen, ik 'eb al lang zien, dat ze een ogie op joe 'ef. En de olde Jans mag joe ok wal...

Dat was een grap natuurlijk, daar lachten ze hartelijk om.

Maar aan die grap moest Rieks telkens weer denken in de weken die volgden. Het werd hem nu pas bewust, dat Triene heel bijzonder tegen hem deed. Zij had een oogje op hem. De grap was ernst geworden, 's Morgens, als hij zich stond te wassen op de pompstraat, altijd juist dan moest zij daar ook wezen. Dan draaide ze om hem heen, soms nog in de borstrok („As een doeve a) die zien ei niet kwiet kan," dacht Rieks) en had wat te zoeken bij de melkbussen of haalde een ketel water of waste zich ook. En altijd maakte ze het dan wel zo, dat ze hem een keer aan kon stoten met haar vlezige elleboog. Bij het eten zat ze naast hem in de grote kamer, waar een blind peerd geen schade aan kon richten en drukte haar knie tegen de zijne en schepte de dikste vleien3) in zijn kom. Ze nam de schink en sneed nog wat bij op zijn brood. De oude Jans zat er bij en zag schijnbaar niks.

Toen Rieks op een avond na 't melken naar zijn ouders ging, kwam ze hem nalopen met twee dikke metworsten en een handvol grote zwarte sigaren.

„Kom ie niet te loat weerum?" vroeg ze, „dan wacht ik op joe." Ze legde haar hand vertrouwelijk op zijn arm en lachte; haar tanden kwamen bloot. Mooie blanke tanden had Triene toch en een zware gouden broche had ze voor. Maar er was iets listigs in haar dik, bleek gezicht; een begeerte loerde in haar matte ogen, die maakte hem bang. Het was over twaalf toen hij terugkwam, maar er brandde nog licht, daarom sloop hij als een dief in de schuur en kroop zacht in zijn bed in het hooivak. Een poos later kwam zij met de stallantaarn.

„Rieks, bi j' al in hoes?"....

J) zich. 2) duif. ') yellen op de melk.

Sluiten