Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezittingen in een zak te pakken. Er was een cadean van Triene bij, een zilveren tabaksdoos met haar naam er in, die gooide hij rinkelend over de koegang. Hij vervloekte het ding. Hij vervloekte zich zelf. Hij zag Hille met Mans in het stookhok, zijn handen die haar liefkoosden, zijn dronkemansadem in haar gezicht.

Hij gooide de deur naar de kamer open. De oude Jans en Triene zaten

bij de tafel. Vaag tekenden zich hun gestalten af in de schemering

tegen het lichte raam.

„Ik goa vort!" schreeuwde hij schor.

„Vort?" riep Triene en kwam overeind, „vort, Rieks?"

„Ja, vort!" grauwde hij. „Yeur ieuwug."

Hij slingerde de zak op zijn rug, greep zijn fiets en beende het erf af. Triene riep hem na, maar hij antwoordde niet.

Op de brink stond een troep jongens, die dreigend mompelden» toen hij nader kwam.

Hij vroeg, of ze Mans Donder gezien hadden.

„Nee," zei één van hen stug.

De anderen zwegen, maar de hele troep volgde hem op een afstand.

De hond van Hille lag op de dam naar het erf en gromde, maar toen

hij Rieks herkende, sprong hij blij tegen hem op. Het was hem een

kleine troost en een gunstig teken. Hij gooide zijn fiets tegen de heg

en stapte het erfje op.

Bij het stookhok stonden twee mensen.

„Hille!" riep Rieks. Het klonk als een kreet.

Er kwam geen antwoord van Hille.

„Wat moe j' van Hille?" vroeg Mans Donder.

„Ik vroeg noar Hille," zei Rieks.

„Ie kunt mij kriegen," antwoordde Mans.

„Geern!" zei Rieks grimmig. „Wacht moar even"....

„Wat is 't er, Rieks," kwam nu eindelijk de stem van Hille.

„Hille," zei Rieks met hartstocht, „ ik bin joe niet meer weerd. Maar

wö j' mij nog hebben, ik heb de hele boel in de steek loaten veur

joe...."

„Ja Rieks," zei Hille vast.

Mans Donder vloekte, alsof de wereld in elkaar moest. Hij stond met een sprong voor Rieks, zijn mes glinsterde in het zwakke licht, dat door de blinden viel, het litteken zag Rieks glanzen. Maar Rieks lachte.

1 / < cl...... v '' ,

^ ' i . — .

Sluiten