Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich de botanie zelf. En het zijn Dodonaeus, Clusius en Lobelius, of liever Dodoens, de 1’Escluse en de 1’Obel, die de kruidkunde als zelfstandige tak op de stam der wetenschap hebben geënt. De eer, deze drie mannen te hebben voortgebracht, behoeven de Nederlanden met geen ander land te delen.

Onder deze drie neemt stellig Charles de l’Escluse de voornaamste plaats in. Zijn kennis is zeker de grootste geweest, zijn blik het scherpst, zijn geest de meest klare. Zijn pen was wel versneden en zijn creatief vermogen sterk ontwikkeld. Hij heeft de richtlijnen, waarlangs de botanie zich in latere eeuwen ging ontwikkelen, niet uitgestippeld, maar met forse streek gezet. Zijn invloed was groter dan van enig botanist.

Niet alleen dat zijn persoonlijkheid van zulk een zeldzame invloed is geweest, zijn leven is een geleerdenleven bij uitnemendheid. Zijn levensgang is karakteristiek, al is deze stellig niet gewoon en alledaags. Zijn moeilijkheden zijn typisch voor den geleerde van de zestiende eeuw, zijn vreugden zijn een prototype voor de verrukkingen van een baanbreker.

Genoeg redenen dus om Clusius te kiezen als onderwerp voor een monographie van Nederlandse cultuurgeschiedenis!

Maar een buitengewoon gelukkige omstandigheid werpt nog een onmiskenbaar nut af: zijn leven is ons bijna van begin tot eind bekend; bepaalde delen ervan, dank zij zijn uitermate omvangrijke correspondentie, die bewaard bleef, tot in bizonderheden. En hoewel nog lang niet alle, zelfs niet eens de bekende brieven, zijn gepubliceerd, geven toch de reeds in het licht gegeven epistels een belangwekkende kijk op het leven van dezen groten man.

Zij stellen ons in staat zijn gedachten, zijn hoop, zijn teleurstellingen, zijn tekorten en zijn edele gevoelens, te leren kennen in haast elke periode van zijn leven. Zij geven een beeld van zijn werkzaamheden en kennis, zijn vriendenkring, die zich uitstrekte door het ganse gemeenebest der wetenschap, door vrijwel geheel Europa.

Sluiten