Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke de reden van dit bezoek ook moge geweest zijn, het was, naar het mij voorkomt, te kort, om werkelijk, wetenschappelijk gesproken, enig nuttig effect te hebben.

Van Leuven keerde Clusius toen naar Antwerpen terug, en nu kwam hij in aanraking met tal van bekende persoonlijkheden. Want Antwerpen was na de ondergang van Brugge snel gegroeid en tot de rijkste en machtigste koopstad van het Europese vasteland geworden. Het was een stad van meer van 100.000 inwoners, waar een zeldzame drukte heerste, als gevolg van een weergaloze handel en nijverheid. Rijke kooplieden van Nederlandse origine wedijverden met die uit Venetië en Genua, Florence en Augsburg. Langs de Schelde bewoog zich een onafgebroken reeks van schepen stroomopwaarts en naar zee; uit Duitsland en Frankrijk werden wekelijks bij duizenden karrevrachten de handelswaren aangevoerd, nog gezwegen van de producten, die de Nederlanden zelf dit handelscentrum toevoerden. De ontdekking van de zeeweg naar Indië en van Amerika gaven deze stad mogelijkheden, zoals geen handelsmetropool ze ooit had gekend. En door privileges en voorrechten wist de Antwerpse magistraat alles tot zich te trekken, wat de drukte, het verkeer te land en ter zee, de omzet hielp vergroten. Men leze slechts Guicciardini’s enthousiaste en gedetailleerde beschrijving !

Van de relaties, die Carolus Clusius in deze jaren aanknoopte, moet als eerste worden genoemd die met Rembertus Dodonaeus, Mechelaar van Friese origine, en stadsgeneesheer in zijn geboorteplaats.

Hij had in 1554 doen verschijnen een „Cruydeboeck, in denwelcken die gheheele historie, dat es Tgheslacht, tfatsoen, naem, natuere, cracht ende werckinghe van den Cruyden, niet alleen hier te lande wassende, maer oock van den anderen vremden in der Medecijnen oorboorlijck, met grooter neersticheyt begrepen ende verclaert es, met derselver Cruyden natuerlick naer dat leven conterfeytsel daerby ghestelt”.

Opzettelijk was het boek geschreven in „ghemeyne

Sluiten