Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neerduytsche tale”, opdat het ook voor leken dienstig zou zijn. Maar, hoewel de opzet van den „Medecijn van der Stadt van Mechelen” volkomen slaagde, het „Cruydeboeck” werd tegelijkertijd ontoegankelijk voor ieder, die de taal niet machtig was.

Daarom werd door Dodonaeus besloten tot een Franse uitgave van het werk, welke arbeid hij meende het best te kunnen toevertrouwen aan Carolus Clusius. In deze bewerking werden nu meteen opgenomen alle aanvullingen en wijzingen, die Dodonaeus na de uitgave van het „Cruydeboeck” in de oorspronkelijke editie had aangebracht. Het aantal beschreven planten steeg daardoor van 1060 op 1291, het getal der houtsneden van 715 op 800.

Aan deze arbeid heeft Clusius gewerkt van 1555—’56, want in het voorjaar van 1557 verscheen het werk onder de titel „Histoire des Plantes, etc. Nouuellement traduite de bas Aleman en Fran$ois par Charles de rEscluse.”

Maar niet alleen is het „Cruydeboeck” in het Frans vertaald, het kreeg ook nog een supplement, getiteld: „Petit Recveil, avqvel est contenve la Description d’avcvnes Gommes et Liqvevrs etc. Par celuy qui a traduit 1’Herbier de bas Aleman en Fran<jois”.

Al is ook een deel van het materiaal, dat in het „Petit Recveil” is verwerkt, afkomstig van Dodonaeus, die deze materie uit zijn boek had weggelaten, ook al is een ander deel „tiré hors des Auteurs anciens”, toch is dit de eerste zelfstandige arbeid van Carolus Clusius, die met grote bescheidenheid van zichzelf getuigde: „je ne suis encore tant exercité en ladite matiere, que Ion doive attendre grand’chose de moy”.

Clusius geeft in dit geschrift een overzicht van aromatische en geneeskrachtige boomharsen, bast, vruchten, welriekende houtsoorten en wortels. Hij heeft hier meteen in verwerkt de aantekeningen, betreffende enige gewassen, door hemzelf in Zuid-Frankrijk waargenomen, als Opuntia vulgans, Astragalus marsiliensis en Doronicum Pardalianches, van welke planten hij hier voor het eerst een afbeelding geeft.

Sluiten