Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgende mededelingen: „Over mijn eigen zaken kan ik niet beter schrijven, daar de woelingen hier al mijn plannen en studie in de war brengen.... Maar ofschoon door deze woelingen mijn studie op wonderlijke wijze in de war wordt gestuurd, kan ik toch mijn gedachten over de ertsen (waarover ik u onlangs heb geschreven) niet van me afzetten, maar dagelijks groeit het verlangen.”

In de tweede brief bejammerde Clusius uitvoerig de toestand van deze landen, het lot van zijn oom, die op zeventigjarige leeftijd wegens de verdenking van ketterij was opgehangen, en tegelijkertijd informeerde hij met grote belangstelling naar een gele Iris en naar stenen en ertsen.

In het begin van April 1567 was de Latijnse bewerking van Garcia da Orta’s werk klaar gekomen onder de titel: „Aromatum et Simplicium aliquot medicamentorum apud Indos nascentium historia. Nunc vero primum Latina facta, et in Epitomen contracta a Carolo Clvsio Atrebate”. Clusius had het boek opgedragen aan Jacobus Fugger, die de indirecte en onbewuste oorzaak van deze publicatie was geweest.

Door deze Latijnse bewerking werd het boek van Garcia feitelijk in Europa bekend. De Franse, Engelse en Italiaanse uitgaven, die in de loop van de zestiende eeuw het licht zagen, zijn geen vertalingen van het origineel uit het Portugees, maar van de Latijnse bewerking van Clusius. Ook zijn eigen bewerking heeft nog een aantal herdrukken beleefd, want het werk voorzag in een algemeen gevoelde behoefte. Het maakte, behalve de naam van Garcia da Orta ook die van Clusius algemeen bekend.

De inhoud van het boek bestaat uit korte verhandelingen over specerijen en drogerieën, zoals foelie, muskaat, kruidnagel, kaneel, kamfer, rhabarber en over mineraliën en enkele dierlijke producten.

Toen het hoek van Garcia da Orta verscheen, was Clusius al begonnen met het uitwerken van zijn Spaanse aantekeningen. Want in een brief van 23 April, waarin hij het verschijnen van „Aromatum Epitomen”, zoals hij

Sluiten