Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kaart werd door Clusius opgedragen aan „Den edelen, door karakter en beschaving uitmuntenden man, den heer Thomas Rehdinger”. Op 5 Februari zond Clusius eigenhandig een exemplaar naar Keulen, waar Thomas Rehdiger op dat ogenblik vertoefde. Het bevindt zich nog heden ten dage in de stadsbibliotheek van Breslau. Dat dit exemplaar inderdaad het door Clusius gezonden exemplaar is, bewijzen de verbeteringen, die op de kaart zijn aangebracht. Want in de boven vermelde brief van 5 Februari schrijft Clusius: „Toen Abr. Ortelius het privilege had ontvangen, zond hij mij een exemplaar, dat ik verbeterd (want ik heb enige vergissingen in de spelling, die door de snijders zijn begaan, gevonden) aan U nu toestuur”.

Reeds 1 Maart ontving Clusius bericht, dat Rehdiger de kaart had ontvangen en de opdracht zeer op prijs had gesteld. Uit dankbaarheid had hij Maternus Schuif opgedragen, om aan Clusius 50 daalders uit te betalen. Het behoeft geen betoog, dat Clusius dit geschenk in zijn toenmalige moeilijke omstandigheden uitermate heeft gewaardeerd. Zijn dankbrief van 15 Maart legt daarvan nog steeds getuigenis af.

Maar Thomas Rehdiger deed nog meer. Na een samenzijn van acht jaren verliet hem in de lente van 1571 Joannes Neodicus, die hem een metgezel was geweest, sedert Clusius zich als mentor had teruggetrokken. Thomas kwam daarna naar Antwerpen en nodigde Clusius uit voor een tocht naar Engeland. In Juni verlieten zij de Nederlanden.

Het zal Clusius niet hebben gespeten deze landen achter zich te kunnen laten. Want de toestand werd er immers niets beter op. Willem van Oranje kon, ondanks alle verbintenissen, die hij in de Nederlandse steden had, niets ondernemen wegens gebrek aan geld. Lodewijk van Nassau, die sedert geruime tijd in Frankrijk aan de zijde van de Hugenoten streed en een intiem vriend van Coligny was geworden, had in Frankrijk weliswaar aanzien, maar zijn groots opgezette plannen kon hij nog niet

Sluiten