Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rondelet in Montpellier gestudeerd en had zich wegens de woelingen in de Nederlanden in 1568 te Londen gevestigd. In het voorjaar van 1571 had hij met zijn „Stirpium adversaria hova” zijn eerste publicatie gegeven op het gebied der botanie.

Behalve de connecties, die Glusius in Engeland aanknoopte, bracht hij als kostbare vondsten mee de twee delen van het boek van Nicolas Monardes, welk eerste deel Pancius hem reeds vroeger in Latijnse vertaling had toegezonden. Nu bracht Clusius van deel I het Spaanse origineel mee en ook deel II. Dit deel was juist verschenen en bevatte weer mededelingen over allerlei geneesmiddelen, verhandelingen over planten, zaden en vloeistoffen, mitsgaders een tractaat over de krachten van de sneeuw.

In October keerden Clusius en Rehdiger weer naar Frankrijk terug. In Parijs namen ze afscheid van elkaar; Rehdiger bleef eerst nog in de Franse hoofdstad en vestigde zich toen in Keulen, Clusius zette de tocht naar de Nederlanden voort. Aan de grens overkwam hem een onaangenaam voorval. De Franse douane te Péronne ontdekte namelijk in zijn bagage een hoeveelheid gemunt goud en zilver en wat edelstenen. "Waarschijnlijk om deze laatste te redden, verklaarde Clusius ze voor vals! Aangezien echter pasmunten niet mochten worden uitgevoerd, werden deze verbeurd verklaard en Clusius ook nog veroordeeld tot een boete van twaalf Parijse ponden, een omstandigheid, die zijn pover vermogen beslist niet ten goede kwam. Zo kwam hij vrij berooid na een afwezigheid van vijf maanden weer in Mechelen bij Jean de Brancion terug.

In het najaar van 1571 werd de toestand in de Nederlanden niet beter. Hier en daar kwam men onder de druk der zware lasten, door geprikkeldheid over genomen of dreigende regeringsmaatregelen, ook uit angst soms tot ongeregeldheden. In de handelssteden gingen de zaken achteruit en zelfs te niet, hetgeen werkeloosheid onder de handwerkslieden ten gevolge had.

In Antwerpen ondervond Plantijn daarvan de invloed.

Sluiten