Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toeKomstige staat. Van een mentorschap, zoals hij dat in VToeger jaren bij Thomas Rehdiger of bij den jongen Fugger had waargenomen, was geen sprake meer. Zijn persoonlijkheid was hem daarbij vroeger al niet tot aanbeveling geweest, zijn leeftijd maakte dit nu geheel en al onmogelijk. Een ondergeschikte betrekking bij den een of anderen vorst lokte hem niet meer aan na de keizerlijke ervaringen, die hij had opgedaan. Clusius vond de grote heren zeer veeleisend en weinig dankbaar, terwijl het hofleven hem eigenlijk tegenstond. De positie, die geheel m zijn lijn lag, zou die van professor zijn geweest. Het is volkomen onbegrijpelijk, dat een man van zijn kennis, zijn vermaardheid, zijn wetenschappelijke standing in die jaren niet tot dit ambt is geroepen. Het is waar, dat zijn nchting niet streng medisch was, maar ook toen zag men er niet tegen op, om een betrekking te scheppen, wanneer men een man van reputatie aan een hogeschool wilde verbmden. Het enige, wat er dus voor Clusius overbleef, was °m te trachten rond te komen van zijn bescheiden middelen, misschien gesteund door vrienden, voor weinig of mets ten huize van Aicholtz vertoevende, levende voor zijn studiën, zich wijdend aan wetenschappelijke arbeid.

Hij besloot voorlopig in Wenen te blijven om aan de Oostenrijkse Flora verder te werken. Begin Februari schreef hij dan ook aan Crato: „Ik draag gelaten mijn lot en vertrouw de gehele toekomst toe aan Gods wil. Ik zou zeker mijn lot minder gelaten dragen, als ik niet reeds van den beginne af had besloten de volgende zomer hier te blijven om de overige bergkammen te doorzoeken, opdat mijn onderzoekingen nog volmaakter in het licht kunnen verschijnen”.

En verder berichtte hij in deze brief: „Ik ben den keizer reeds met vele smeekschriften lastig gevallen, maar ik heb mets bereikt. Als ik niet bij kooplui, zeer tot mijn ongemak, geïden opnam voor dagelijkse uitgaven en als ik niet bij Aicholtz woonde, wien ik reeds meer dan een jaar kost en onderdak schuldig ben, zou ik niet kunnen bestaan”.

In het voorjaar hernieuwde keizer Rudolf zijn belofte

Sluiten