Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

point merite, vous priant de croire que ne vous ay point escrit de nostre infortune aulx fins de tirer aulcune chose de vous, dieu le scait”.), maar de gezondheid van Bemard nam daardoor nog geen goede wending en spoedig daarna overleed hij.

Glusius zelf voelde zich, na een winter van veel gesukkel, weer wat beter. Hij bracht zelfs bezoeken aan de omgeving, aan Mainz, aan Heidelberg. Het lijkt me zelfs niet onmogelijk, dat hij in de zomermaanden wat gebotaniseerd heeft in de omtrek, als een aangename afwisseling van de werkzaamheden, die noodzakelijkerwijze verbonden waren aan het uitgeven van de twee nieuwe werken, namelijk de gezamenlijke eigen werken in één deel folio, later bekend onder de titel: „Rariorum Plantarum Historia”, en een volledige uitgave van zijn Latijnse bewerkingen van Da Orta, Acosta en Monardes, die inderdaad in 1593 bij Plantijn verscheen.

In het najaar van 1591 werd Clusius door een zijner] getrouwe correspondenten uit Leiden, Joh. van Hoghe-/' lande, dien hij geregeld voorzag van zaden en bolgewassen, \ gepolst, of hij eventueel niet bereid zou zijn een taak op zich te nemen, met betrekking tot de Leidse Hortus S Botanicus.

Deze taak had men eerst willen opdragen aan Bernardus Paludanus en men had dan ook in Augustus 1591 hem benoemd tot praefectus „vande cruythof der medicijnen”. Tot de inrichting van een medicinale kruidtuin was wel al in 1587 besloten, en was ook door het benoemen van Gerard Bontius, later van Pieter Paauw als buitengewoon hoogleraar in de medicijnen en de botanie een begin gemaakt met het onderwijs in de plantkunde, maar van het mnchten van een hortus, die aan de behoeften van het vak moest voldoen en zonder welke het onderwijs natuurlijk nauwelijks enige zin of resultaat had, was nog niets gekomen.

Paludanus nu zou ’s zomers in de tuin aan de studenten in de medicijnen en aan belangstellenden in de botanie de werking der planten verklaren (de plantkunde werd dus

Sluiten