Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

talingen in het voorjaar van 1593 het licht zou zien, werd Glusius teleurgesteld. Door een oogziekte van een der drukkersgezellen moest het afdrukken van het werk worden gestaakt. Het boek verscheen daarom pas in de herfst van dat jaar.

Clusius vorderde intussen staag met het schrijven van zijn verzamelde eigen werken. Het noodlot echter vervolgde hem op een wel onbarmhartige wijze. In April deed hij namelijk bij het afdalen van een trap opnieuw een val en kwam zo ongelukkig op zijn rechterzijde terecht, dat hij het rechter heupbeen ontwrichtte.

Tien weken lang moest hij het bed houden, leed hevige pijnen en was niet tot enige arbeid in staat. Tien weken van gedwongen nietsdoen waren voor dezen arbeidzamen man een hijna ondragelijke marteling. En dat nog wel, terwijl hij reeds rust had moeten nemen van wege de hoest, die hem in Februari kwelde. Indien hij toen tenminste de voorschriften van Posthius heeft opgevolgd, die, op het vernemen van een gerucht daarover, hem terstond een recept stuurde en schreef: „Maar deze ziekte eist rust en onthouding. Ge moet U onthouden van overpeinzingen, lezen en schrijven; ’s avonds wat eten en drinken; verblijven in een matig verwarmde atmosfeer. Als ge geen koorts hebt, is wijn toegestaan, witte, goed belegen, geen koppige, geen nieuwe, waaraan wat suiker is toegevoegd”.

De gedwongen rustkuur na de val heeft Clusius nog doen volgen door een badkuur in Wiesbaden, maar blijkbaar met weinig resultaat. Want in Juli klaagde hij nog over zijn kreupelheid, zijn noodgedwongen gaan op krukken, zijn pijnen, waartegen geen geneesmiddelen, zelfs geen baden hadden geholpen.

In deze zomermaanden werd Clusius bovendien nog gekweld door zorgen om zijn aanstaande Leidse tuin. Hij vernam, dat Paauw zijn voorschriften over het inrichten van de hortus helemaal niet opvolgde. Hij schreef hem daaroVer, door vrees gekweld, een uitvoerige brief. Tevens inforrrreerde hij hij Paauw naar de vroegere tuin van Lipsius,

Sluiten