Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om die als hof te kunnen inrichten voor eigen liefhebberij, voor het kweken van planten, die voor de geneeskunst van geen belang waren.

Paauw stelde hem echter gerust: men zou wel zien, als Clusius eenmaal in Leiden was. De tuin van Lipsius achtte hij voor Clusius’ doeleinden niet geschikt. Er waren echter genoeg tuinen voor weinig geld te krijgen.

Eindelijk verschenen op de najaarsmesse van 1593 de verzamelde vertalingen, waarover reeds herhaaldelijk is gesproken, een fors boek van ruim 450 blz. Het bevatte de vierde druk van het boek van Da Orta, de tweede druk van dat van Acosta, de derde uitgave van de eerste twee boeken van Monardes (door Clusius immers tot één deel verenigd bij zijn bewerking) en de tweede uitgave van het derde boek van Monardes. Zij waren alle vrijwel gelijk aan de vorige edities.

De val, die Clusius in het voorjaar had gemaakt, had de voltooiing Van zijn Voorgenomen arbeid zo tegengehouden, dat hij, indien hij met zijn vertrek naar Leiden daarop wilde wachten, stellig nog wel, ook in verband van het opnemen van de planten, het een geheel jaar zou moeten uitstellen. Hij begreep echter heel goed, dat dit aan Curatoren niet welgevallig zou zijn en hij besloot dus het laatste deel van zijn gezamenlijke eigen werken maar te laten rusten, totdat hij in Leiden zou zijn gekomen.

Kort voor zijn vertrek ontving hij nog een aanbieding van Marie de Brimeu, die hem in Leiden haar tuin ten geschenke aanbood, om deze tot particuliere hof te kunnen inrichten, in plaats van voor veel geld er een te huren. Zelfs vroeg zij hem, om bij zijn aankomst in zijn nieuwe woonplaats in haar huis zijn intrek te nemen, tot hij een geschikt onderdak zou hebben gevonden.

Het einde van de Frankforter jaren was nu daar. Zij hadden Clusius stellig niet gebracht, wat hij ervan had verwacht. Hij verliet de stad zonder enige droefenis.

Begin October brak Clusius op en reisde via Keulen naar Leiden.

Carolus Clusius 8

Sluiten