Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

colleges, die aan Paauw waren opgedragen, nu kreeg hij Cluyt naast zich om de zorgen van de tuin te dragen, al behield hij dan ook in naam de leiding. Marie de Brimeu had wel gelijk gekregen met haar vroegere mededeling over een substiteur! Heel veel meer dan ere-professor was Carolus Clusius niet; hij had voor de hem verstrekte toelage feitelijk niets te doen. Hij was vrij van geldzorgen, kon zich ongestoord aan zijn studie overgeven, hij was er „pour donner nom et bruict”.

De benoeming van Dirc Cluyt was in alle opzichten een gelukkige te noemen. Het was een enthousiast, werkzaam man, die dadelijk de hem opgedragen taak vreugdevol aanvaardde. In de zomermaanden van 1594 werd door hem op alleszins overzichtelijke wijze de gehele tuin aangelegd.

De kruidhof, die ongeveer vierkant van vorm was, werd door twee paden in vier vierkanten verdeeld, de quadrae. Elke quadra was door een middenpad gescheiden in twee helften, elke helft weer verdeeld in perken, elk perk wederom in bedden. Zo omvatte de kruidtuin 1400 bedden. Behalve deze bedden waren er verder nog langs drie zijden borders aangebracht en bevonden er zich planten in vazen, potten en kisten, die in de tuin verspreid stonden.

Dank zij de bewaard gebleven inventaris, door Cluyt (en Clusius natuurlijk) in September 1594 opgemaakt, kennen wij precies de beplanting Van elk perk van deze eerste medicinale kruidtuin der Leidse universiteit.

Zo weten wij, dat Clusius zijn eigen kostbaarheden, waarvan boven reeds sprake was, toevertrouwde aan perk 12 van de eerste afdeling :„Tulipae praecoces et serotinae rubris et luteis coloribus” en „Tulipae praecoces et serotinae variorum generum”. In perk 6 van afdeling II stonden de Irides bijeen, de „latifoliae diversorum generum”, of die „floribus peramoenis”, de „elegantissimae”, de „variae omnium colorum”.

Aan de hand van deze inventaris zou het mogelijk zijn wederom een kruidtuin aan te leggen, geheel gelijk aan

Sluiten