Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het najaar reeds verschenen bij denzelfden uitgever de Latijnse vertaling onder de titel „Diarium Nauticum, seu vera Descriptio Trium Navigationum admirandarum et nunquam auditarum”. Het boek was door Clusius opgedragen aan zijn groten vriend Giov. Yinc. Pinelli uit Padua, met wien hij reeds sedert 1575 in briefwisseling was, die als tussenpersoon fungeerde voor de natuuronderzoekers in Italië en Clusius ook met velen van dezen in connectie had gebracht. Zoals Clusius dat met meer van zijn vertalingen had gedaan, verborg hij zich ook nu weer achter C.C.A.

Toen hij deze vertaling had voltooid, gaf hij gevolg aan een uitnodiging van zijn Zeeuwse vrienden en maakte een reis naar Middelburg. Het lijdt geen twijfel, of men heeft daar den invaliden grijsaard, die ondanks zijn 72 jaren nog zoveel energie en werkkracht bezat, als een groot man geëerd. Het volgend jaar, in Augustus 1599, bracht Willem Parduyn met zijn vrouw een tegenbezoek aan Leiden, zodat ik vermoed, dat Clusius in Middelburg bij Parduyn toen zijn intrek heeft genomen.

Een gevoelig verlies leed Clusius in het najaar van 1598 door de dood van Joachimus Camerarius, zijn ouden vriend. Hoevele herinneringen uit langvervlogen jaren verbonden hen beiden! Er was tussen hen een echte, diepe genegenheid, waarvan menige brief nog heden ten dage getuigen kan.

Waarlijk, een gevoel van eenzaamheid moest zich wel langzamerhand van onzen botanist meester maken, een gevoel van verschrompelen, een tenslotte weer tot de eigen persoon, het naakte Ik te worden teruggebracht; de overtuiging ook, dat ieder na de vele vrienden van zijn jeugd, de kleine kring van getrouwen op rijpere leeftijd, langzamerhand losgemaakt van alles, in volledige eenzaamheid op de steeds smaller wordende top van zijn leven zich aan de eindeloosheid gaat overgeven.

Maar hij moet ook tot de conclusie zijn gekomen, dat wie zo hoog is gestegen op een berg en de kronkelpaden aan de brede voet en „de karige velden van het middel-

Sluiten