Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

libri en een appendix, omvattende drie supplementen. De grootste inhoud van het boek bestaat uit beschrijvingen van planten, die ook vermeld staan in de Spaanse en Oostenrijkse Flora. Maar daarenboven omvat dit boek een grote hoeveelheid beschrijvingen en platen van allerlei Europese, waaronder ook Nederlandse, gewassen, hetzij door hemzelf verzameld, hetzij door correspondenten toegezonden. Door Clusius voor het eerst zijn van drie Nederlandse planten beschrijvingen gegeven en wel van de Knikkende Distel (Carduus nutans L.), van de Dopheide [Erica Tetralix L.) en van de Hondswortel (Anacamptis pyramiddlis Rich.).

De illustraties, 420 houtsneden, zijn deels de voortreffelijke, die in de Spaanse Flora waren afgedrukt, deels die uit de Oostenrijkse Flora, terwijl voor de nu nieuw beschreven gewassen de houtblokken waren gesneden in de Nederlanden door P. van der Borcht en, zoals uit de loop van dit verhaal bekend, in Frankfort door Virgilius Solis. Afgezien van deze verluchtingen, waren ook nog vele ontleend aan het in 1581 verschenen „Kruydtboeck” van Lobelius en aan de „Stirpium Historia” van Dodonaeus.

Wat de wetenschappelijke zijde van de „Rariorum Plantarum Historia” betreft: de indeling der planten is nog gelijk aan die in Clusius’ vroegere werken. Boek I geeft de bomen, struiken en halfstruiken, boek II knolen bolgewassen, hoek III de planten met welriekende bloemen, boek IV die met reukloze bloemen, boek V de giftige, bittere of bedwelmende planten, boek VI de melksapleverende, de schermbloemige, de grassen en de varens.

Gelijk men uit bovenstaande ziet, bleef dus de indeling gebrekkig. Dat is daarom des te meer verwonderlijk, omdat Clusius niet alleen het onlogische van bovengemelde indeling toch wel moet hebben bemerkt, maar ook omdat in 1583 reeds Caesalpino in zijn „De Plantis Libri XVI” een systematischer indeling had ontworpen, gebaseerd op de bevruchtingsorganen en volgens het zaad. Vermoedelijk was Clusius bij het verschijnen van zijn

Sluiten